75 jaar geleden (2)

9 mei 2020

Uiterlijk op 9 mei 1945, dus minstens 75 jaar geleden kwam ergens in Centraal Europa een eind aan het leven van David Frank, een ondernemende joodse inwoner van Schiedam die het vertikte om de Jodenster zichtbaar te dragen. Zijn laatste adres in vrijheid is Maasstraat 14 te Schiedam, in de Gorzen; daar woont hij met vrouw Rieka en zoon Harry.

David Frank wordt geboren op 30 december 1903, te Rotterdam. Op 5 augustus 1925 trouwt hij daar met Rieka van Oers en uit dat –gemengde- huwelijk wordt al snel, op 26 januari 1926, Harry Izaak Frank geboren. David werkt als kelner, aan boord van de Holland-Amerika Lijn; hij probeert zich tot Amerikaan te laten naturaliseren maar dat mislukt. Hij ‘kelnert’ ook in verschillende grand hotels in Rotterdam. Een half jaar na de geboorte van Harry woont het gezin enige tijd in Amsterdam maar eind november keert men weer terug naar Rotterdam. David is aan de slag als koopman in textielwaren.

Zodra David Frank op 3 augustus 1943 wordt opgepakt en afgevoerd naar Kamp Westerbork spant hij zich in om te bewijzen dat zijn zoon, van inmiddels 17 jaar, niet-Joods is; Harry is immers de zoon van een niet-Joodse moeder. Het lukt David om zijn zoon te vrijwaren van deportatie. Op 3 maart 1944 wordt David Frank zelf op transport gezet; in elf wagons worden 732 personen naar Auschwitz gedeporteerd. Daar zijn 94 kinderen bij waarvan er vier in Kamp Westerbork zijn geboren. De jongste is Siepke Elisabeth Sajet: geboren op 27 januari 1944, vergast op 6 maart 1944, direct na aankomst in Auschwitz.

David weet nog een brief aan zijn vrouw en zoon te schrijven: 

Lieve Rieka en Harry,

Als je deze brief ontvangt ben ik op transport naar het onbekende. Alle gemengden gaan door. Je moet de moed niet verliezen. We zien elkaar weerom, daar ben ik zeker van. Ik heb je pakje ontvangen, dat is [onleesbaar]. Ik was er erg blij mee, dat kan ik meenemen voor onderweg. De eieren heb ik direct opgegeten. Ik was niet veel gewend. Je krijgt geen post meer van me, want daar zal je niet mogen schrijven, maar ik zal wel aan je denken en jij aan mij en krijgen we elkaar gauw terug te zien. We gaan met een hoop [onleesbaar] en zullen het beste er maar van hopen. Ik heb me laten wegen en weeg nog 72 kilo. Ik ben niet afgevallen. Ik geloof dat het niet slechter kan waar wij naar toe gaan. De pakjes moeten het doen. Ik zal me er wel doorheen zetten. Je moet niet bij de pakken neerzitten. Dat wil ik niet hebben en goed eten je koop [onleesbaar].

Je moet Piller zijn vrouw de groeten doen, die gaat ook met me mee. Groen weet zijn adres wel, en zeggen dat ze moed moet houden zal, hij doet het ook. En dan moet je een kaart sturen naar mevr. J. Garf, Ruijsdaalkade 5 hs, Amsterdam Z, dat hij ook doorgaat en velen groeten van haar man.

Doet allen de groeten van me. Ik hoop dat je deze brief ontvangt,want ik gooi hem uit de trein. Ik heb onderkleren genoeg [onleesbaar]. Nou Riek, ik ga pakken. We gaan morgenvroeg weg. Hou je goed Riek velen zoenen van je man. Dag schat.

PS.: Harry goed oppassen hoor! Dag jongen hou je goed!”

David Frank ontloopt de gaskamer maar wordt te werk gesteld in Monowitz, Auschwitz III: een werkkamp –met een hoog sterftecijfer- waar bedrijven als IG Farben en Krupp Stahl vestigingen hebben. Tien maanden houdt David Frank het vol om daar te overleven. Dan worden tussen 18 en 21 januari 1945 gevangenen uit Auschwitz geëvacueerd naar Buchenwald, omdat de Russische troepen naderen. Die bevrijden het kamp met circa 8.000 veelal doodzieke gevangenen op 27 januari 1945. Volgens twee getuigen overlijdt David al op 21 januari 1945, tijdens het transport in een wagon dus ergens in Centraal Europa. Het Rode Kruis houdt het erop dat David Frank uiterlijk op 9 mei 1945 overleden kan zijn en dat wordt gezien als de officiële sterfdatum.

Zijn vrouw en zijn zoon overleven de oorlog. In de Maasstraat ligt voor nummer 14 een Stolperstein, om David Frank te herinneren, door zijn naam te lezen en al doende voor hem het hoofd te buigen.