Toespraak tijdens herdenkingsdienst 14 mei 2019

19 mei 2019

P1000475

Dames en heren,

Op 5 mei jongstleden, Bevrijdingsdag, maakten we een wandeling met gids door Joods Rotterdam. Waar Joods Rotterdam ooit bestond, voor de oorlog en voor het bombardement van 14 mei 1940 dat een eind maakte aan de oorlogshandelingen in Nederland. De gids die wandelingen begeleidt in Amsterdam èn in Rotterdam, vertelde dat hij vaak verbaasde reacties krijgt: “Joods Rotterdam? Amsterdam, zult u bedoelen! Het was toch allemaal in Amsterdam!?”

Na Amsterdam was het stuivertje wisselen tussen Rotterdam en Den Haag, welke stad de op één na grootste Joodse bevolkingsgroep had. Begin mei 1940 woonden er circa 13.000 Joden in Rotterdam. Het bombardement dreef 1200 Joodse Rotterdammers naar elders. Er waren immers 80.000 Rotterdammers in één keer dakloos geworden.

Bij het zoeken naar, en in, de familiegeschiedenissen van de Joodse Schiedammers komen we het vaak tegen: na het bombardement verhuist men uit Rotterdam naar Schiedam waar veel woningen leeg staan. De Joodse gemeenschap van Schiedam, die nooit erg groot was geweest, nam daardoor verder toe. Die was kort vóór de oorlog al iets gegroeid.

Dames en heren, ik ben geboren in Schiedam, met Schiedamse ouders die de oorlog hebben meegemaakt. En die daar pas in de jaren zestig over gingen vertellen. Over de hongertochten, over het paard van de Ortskommandant dat gestolen en geslacht werd, over het ontlopen van de razzia voor de Arbeitseinsatz. Maar ook over de klank van laarzen op kinderkoppies, of over het luchtalarm omdat Wilton, de scheepswerf, weer eens gebombardeerd moest worden, en natuurlijk over de verwoesting van Rotterdam, de rookpluimen in het oosten.

Maar nooit ging het over wat er met de Joden in Schiedam was gebeurd. Waren mijn ouders er toen niet van op de hoogte? Kenden ze geen Joodse buren die ineens weg waren? Het zou kunnen want zoveel Joodse inwoners waren er niet, in de Gorzen waar mijn moeder, en in West, waar mijn vader woonde.

Sporen van het Joodse leven in Schiedam zijn schaars. Er was ooit een synagoge. Ik heb het gebouw nog ongebruikt zien staan, voor het in 1987 uiteindelijk werd gesloopt. Toen ik in de jaren tachtig in het Proveniershuys ging wonen, toen zei een familielid, al starend uit mijn keukenraam, dat daar, ter hoogte van dat raam, zo ongeveer de Joodse begraafplaats moest hebben gelegen. Die was in 1962 verplaatst, met toestemming en instructies van de rabbijn.

Had ik in mijn jeugd meer sporen van het Joodse leven in Schiedam gezien moeten hebben? Ik heb het maar eens opgezocht: op die begraafplaats had in 1938 de laatste begrafenis plaatsgevonden; in 1948 is de Joodse gemeente in Schiedam opgeheven. Ik ben van 1958. In 1962 verdween de begraafplaats en in 1987 –zoals gezegd- de voormalige synagoge die al vóór 1920 was gesloten. De grote symbolen waren in mijn jeugd al weg of onherkenbaar.

Er was alleen die klasgenoot op de middelbare school: Diederik Hirschel maar die kwam uit Vlaardingen. Het is dus niet zo gek dat ik in Schiedam niet direct met Joodse Schiedammers of met hun lot geconfronteerd werd.

Wel via het verhaal van Anne Frank, haar dagboek, Amsterdam, de Jodenbuurt. Maar ook de filmbeelden van concentratiekampen in documentaires over de oorlog, dat waren de wegen waarlangs ik leerde wat er in en vóór de Tweede Wereldoorlog was gebeurd. Op weg naar de systematische, fabrieksmatige moord op een bevolkingsgroep.

Maar Schiedam en haar Joodse inwoners bleef voor mij lang een lege pagina. Met de Stolpersteine, met –letterlijk!- die glimmende steentjes in de stoep, komen de Joodse sporen weer terug in de stad. Met ruim 150/160 struikelstenen op 51 locaties in de stad vergroten we de kans dat iemand, jong of oud, zo’n steentje tegenkomt en zich realiseert dat er Joods leven was in deze stad. En hoe aan dat leven een eind is gekomen. Is gemaakt!

Omdat we in Schiedam de toestemming van kunstenaar Gunther Demnig hebben om de Stolpersteine zelf te plaatsen, onthullen we vanmiddag de stenen die vorige week vakkundig en met respect in de stoep zijn aangebracht, door de mannen van Irado. Afgelopen vrijdag zijn de Stolpersteine geplaatst en op één negatieve reactie na, leidt het plaatsen tot ontzag en medeleven. Men vindt het mooi dat op die manier de herinnering wordt opgeroepen aan Schiedammers die daar, voor het laatst in vrijheid, hebben gewoond. Hopelijk zult u vanmiddag iets van die ontroering kunnen ervaren.

De Stichting Stolpersteine Schiedam heeft zich ten doel gesteld voor iedere Schiedammer, op de plek waar hij of zij voor het laatst in vrijheid heeft gewoond, maar is afgevoerd en vermoord als gevolg van het Nazi-regime, een struikelsteen te plaatsen. Ongeacht of er nabestaanden zijn die het geld voor de aanschaf van de struikelstenen kunnen dragen. Maar we willen meer doen: op onze website staan al veel familiegeschiedenissen beschreven. Er wordt door onze twee onderzoekers in archieven en andere bronnen speurwerk gedaan om de verhalen bij de Stolpersteine te kunnen schrijven. Om van de namen op de stenen weer mensen te maken, met een geschiedenis die meer is dan alleen dat weerzinwekkende einde.

We zijn dit jaar ook gestart met een schoolproject Oorlog in Mijn Buurt, om basisschoolleerlingen tot erfgoeddragers te maken: ze interviewen mensen die de oorlog nog hebben meegemaakt en doen daar verslag van. Zo geven zij de geschiedenis door. Bij die interviews met de ouderen die de oorlog nog hebben meegemaakt, zal het niet altijd over Joodse Schiedammers gaan maar zeker bij twee te interviewen Schiedammers kan dat niet missen.

Bij die twee zal het ongetwijfeld gaan over Jaap, of Japie, het buurjongetje van Warga, uit de Aleidastraat 150a, bij de Vlaardingerdijk. Dankzij onderzoeker –en mijn echtgenoot- Peter Groeneweg-van der Wal hebben we Japie en zijn jongere broertje weer een gezicht kunnen geven. In de Beeldbank van het Schiedams archief en op de website “Joods Monument” onder Jacob Simon Warga. Daar kunt u die twee knulletjes weer zien.

Een steen in de stoep, een levensgeschiedenis op de website, soms een foto: hoe goed het ook bedoeld is, het blijven fragmenten uit een afgebroken leven. Maar door de namen te noemen, komen de slachtoffers weer even terug, in de herinnering.

Vandaag, 14 mei 2019, plaatsen we 20 Stolpersteine op negen locaties. En hopelijk over een jaar de laatste 20 voor de joodse slachtoffers in Schiedam. Als er tijdig genoeg Stolpersteine gemaakt kunnen worden en als we voldoende donaties krijgen. Er zullen na 14 mei 2020 nog meer struikelstenen komen omdat er ook andere Schiedammers zijn opgehaald en omgebracht.

De laatste struikelsteen die we vandaag gaan onthullen is voor Jenny Beatrice van Lissa, voor Rembrandtlaan nummer 5b. Om haar verhaal te vertellen is er al wat onderzoek verricht. Op dat adres, Rembrandtlaan 5b, zat de tweede apotheek van haar vader, Alexander Frans van Lissa; die woonde met Blandina Lewin op Hoogstraat 118 en daar hielden ze ook apotheek. Hun dochter, Jenny Beatrice was tuinbouwkundige; in 1929 had zij daartoe het examen met goed gevolg afgelegd. Vijf jaar later, in 1934, overleed haar vader.

Er is nog veel onduidelijk over Jenny Beatrice. Want Rembrandtlaan 5b was wel haar laatste adres waar zij in vrijheid heeft gewoond maar zij is niet vanaf dat adres naar Westerbork afgevoerd. Volgens een politierapport is Jenny Beatrice van Lissa op 25 november 1942 opgenomen in een instelling te Noordwijkerhout. Een instelling voor psychiatrische patiënten.

De vermelding in het politierapport doet vermoeden dat zij niet vrijwillig werd opgenomen. Zij werd door twee agenten op haar reis naar Noordwijkerhout begeleid. Ging het werkelijk niet goed met haar en heeft de huisarts haar daarom laten opnemen? Het zou kunnen: haar moeder, Blandina van Lissa-Lewin was twee jaar eerder, op 10 november 1940 overleden. Ze stond er dus alleen voor.

Maar als ze in de war, een gevaar voor zichzelf of voor anderen was, of zwaar depressief, waarom dan naar Psychiatrisch Ziekenhuis Sancta Maria, voor psychiatrische patiënten van katholieke huize. Was ze katholiek geworden? Het zou kunnen maar er is ook een andere verklaring mogelijk. Sancta Maria was blijkbaar ook een onderkomen voor Joodse onderduikers. Het zou kunnen dat er een huisarts was die Jenny Beatrice van Lissa heeft doen opnemen, en daarmee laten onderduiken. Er waren artsen actief in Medisch Contact, zo werd dat genoemd. Zou een Schiedamse arts dat risico hebben genomen?

En waren de politieagenten daarvan op de hoogte en speelden ze het spelletje mee, of werden zij door arts en patiënte om de tuin geleid? Dat verhaal zouden we nog graag compleet willen maken maar… Wat ook de waarheid is, het heeft haar niet het leven gered. Op 4 juni 1943, een half jaar na opname in Sancta Maria, werd Jenny Beatrice van Lissa in Sobibor vermoord. Ze werd 34 jaar oud. We zullen haar herinneren met een Stolperstein!

Het oog valt erop, de wandelaar buigt voorover en leest de naam van het slachtoffer, onwillekeurig buigend, met respect voor de dode. Of het nu om een Joods gezin gaat, of een verzetsstrijder. Of iemand van Roma of Sinti-afkomst. Of een Jehova’s getuige. Of iemand die geholpen heeft met onderduikers en betrapt is. Wie een struikelsteen leest, die buigt met respect het hoofd.

Straks zullen we de namen noemen van alle Schiedammers waarvoor vandaag een struikelsteen wordt onthuld. En dan ontsteken we een lichtje. Want… zolang iemands naam genoemd wordt, leeft hij voort.

Vandaag onthullen we ook stenen voor de familie Frenkel, een vader en moeder met drie dochters. Zo werden zij uit Schiedam weggevoerd en zo zullen de Stolpersteine hen ook herdenken.

Maar het verhaal van één van de zussen was niet over toen zij naar Westerbork werd weggevoerd. Margaretha Frenkel trouwde, in Kamp Westerbork, op 22 oktober 1942, met Moritz Leo Chanachowitz, een joodse duitse vluchteling die al voor de oorlog in het kamp was opgevangen. Ze kregen daar ook een kindje, Arnold, dat meeging op transport 101, naar Theresienstadt; het was het op een-na-laatste transport en Theresienstadt zou zo slecht niet zijn, ging het verhaal.

Maar vandaar ging de trein naar Auschwitz en de sterfdatum van de kleine Arnold is vermoedelijk ook de sterfdatum van zijn moeder Margaretha Chanachowitz-Frenkel. Arnold werd geboren op 19 december 1943 en vergast op 25 oktober 1944. Hij is maar tien maanden oud geworden. Laten we hopen dat hij is gestorven in de vertrouwde armen van zijn moeder.

Een week geleden zag ik de column van Guido Abuys, de conservator van Herinneringscentrum Kamp Westerbork; hij schreef over net ingeleverde foto’s van twee zussen. Uit Schiedam, Hoofdstraat 177, de naam: Frenkel. Een mevrouw Rosevelt, had die foto’s aan het Herinneringscentrum geschonken. We zullen haar vanmiddag zien en bedanken het verhaal van de familie Frenkel weer te hebben aangevuld, met de beeltenissen van twee van de zussen. De vader van mevrouw Rosevelt, een kolenboer, had de foto’s van Kaatje en Margaretha Frenkel ooit in de handen gestopt gekregen door vader Frenkel, met de woorden: “Zorg dat zij nooit worden vergeten!”

Dit geldt voor allen waar we Stolpersteine voor geplaatst hebben en voor gaan plaatsen: “Zorg dat zij nooit worden vergeten!” We doen ons best! Met uw hulp!

Namens het bestuur,

Peter Groeneweg