Abraham Springer en Sara Swaalep en hun vier kinderen

Van Swindenstraat 55 b, Schiedam (geplaatst op woensdag 8 februari 2017)

Het is februari 1900 wanneer op het stadhuis van Amsterdam het jawoord wordt gesproken door Philip Springer en Elisabeth Roselaar. Zij is op dat moment al vier maanden zwanger van hun eerste kindje.

De teksten in het blauw hebben betrekking op Abraham Springer en zijn gezin.

Philip, geboren op zondag 3 maart 1878, is het tiende kind van Isaäc (of Isaak) Alexander Springer en zijn vrouw Roosje Ritmeester. Philip zou nog een broertje en een zusje krijgen. Zo is het dus een groot gezin van twaalf kinderen dat Isaäc moet onderhouden als sjouwerman, mogelijkerwijs in de haven van Amsterdam. Later gaan Isaäc en Roosje in Rotterdam wonen en wellicht werkte hij ook daar als sjouwerman in de haven.

Elisabeth Roselaar, Philip’s vrouw, is een dochter van Levie Roselaar en Schoontje Waas. Elisabeth wordt geboren op vrijdag 18 januari 1878. Elisabeth groeit samen met nog drie kinderen op.

Huwelijksakte Philip Springer en Sara Swaalep

Philip en Elisabeth zijn in februari 1900 beiden minderjarig: men is in die tijd pas volwassen (“handelingsbekwaam”) vanaf de 23e verjaardag. Om te kunnen trouwen moeten hun ouders toestemming geven voor dit huwelijk. Volgens de trouwakte is de moeder van Elisabeth dan al overleden.

Het is een koude grijze dag met wat vorst, maar dat kan de huwelijksvoltrekking niet verstoren. Vanaf vandaag zijn ze het echtpaar Springer en hun eerste kindje is op komst!

Philip is ‘los werkman’ en heeft diverse baantjes. Later gaat Philip zich in Rotterdam richten op het verkopen van groenten; waarschijnlWapen-van-Rotterdamijk doet hij dat gewoon met een handkar door de straten en steegjes van de Zandstraatbuurt waar hij op dat moment woont. Ook zijn ouders, Isaäc en Schoontje, wonen dan in Rotterdam. Dat zou een rede kunnen zijn geweest om te verhuizen. Zo vertrekken Philip en Elisabeth naar Rotterdam en laten zij zich op donderdag 26 april 1900 uitschrijven uit de gemeente Amsterdam. Volgens de gezinskaart gaan zij in Rotterdam wonen aan de Vierwindenstraat hoek Zandstraat 54. De Vierwindenstraat loopt van de Weste Wagenstraat naar de Zandstraat. Dit is het adres van Philip’s ouders: Philip en Elisabeth wonen in bij Isaäc Alexander Springer en Roosje Ritmeester.

Fragment uit het adresboek Rotterdam 1901

Trouwsteeg

Waar ze nu wonen en werken zijn er meer stegen en straatjes als de Vierwindenstraat, zoals de Trouwsteeg. Hier op de foto het begin van de Trouwsteeg vanuit de Zandstraat gezien.

 

 

 

 

 

 

De Zandstraat met de doorgang naar de Trouwsteeg, met op de hoek op nummer 30 de Joodse koopman Levi. En op de linkerhoek een kosthuis van Cornelis Schoonheim, nog te lezen op het bovenlicht.

Zandstraat doorgang Trouwsteeg

Het is begin 1900 een arme tijd. De huizen zijn soms niet meer dan een kamer en een klein keukentje groot. Maar je mag al blij zijn dat je een kamer hebt kunnen bemachtigen. De huizen zijn vaak bedompt. In de zomer kun je dus ook maar beter op straat vertoeven, zittend op een stoel of gewoon op het stoepje.

Gewoon op het stoepje

Ook Philip en Elisabeth moeten in één van deze oude huizen hebben gewoond, waar op  woensdag 18 juli 1900 een gezond knulletje wordt geboren dat Isaäc genoemd zal worden, waarschijnlijk vernoemd naar de vader van Philip. Philip probeert met de verkoop van groenten aan geld te komen terwijl Elisabeth voor de kleine Isaäc zorgt.

De Zandstraatbuurt kent een hoge concentratie Joodse inwoners. Deze buurt bestaat uit de straten Raamstraat, Peperstraat, Zandstraat, Weste Wagenstraat en… de Sint-Laurenstraat met behoorlijke huizen en winkels voor de middenklasse. Daaromheen zijn veel stegen en sloppen die er minder goed uitzien.

De buurt heeft twee gezichten: overdag en ‘s avonds. Overdag werken de vrouwen hier om hun huishouden op orde te brengen; vroeg in de ochtend trekken de mannen er al op uit om goederen in te kopen. Zo zal ook het leven van Philip er uit hebben gezien: vroeg opstaan om groenten in te kopen en die daarna aan de man brengen, om zijn vrouw en de kleine Isaäc te onderhouden.

Philip staat als ‘koopman’ in het adresboek van 1901. Er was toen een groot (klasse-)verschil tussen de marktkoopman en de venter. Je moest aan bepaalde eisen voldoen om een vergunning te krijgen voor een plaats op de markt. Vermoedelijk had Philip deze vergunning niet zodat hij gewoon vanaf de kar zijn handel moest verkopen. Het beroep van straatventer stond minder hoog aangeschreven dan dat van marktkoopman. En venters konden ook geen lid worden van de vereniging van markthandelaren.

De Zandstraatbuurt had ook nDanssalon Zandstraatog een ander gezicht: dat van een rosse buurt met kroegjes, speelhuizen en danssalons. Zoals op de foto de danssalon op nummer 10 van de weduwe Koeleman, op de hoek met de Mosterdsteeg. Met de haven dichtbij kwamen vaak matrozen en andere werklui hier in de buurt hun pleziertjes halen. Maar overdag merkte je niets van dit alles.

 

 

 

 

Eind 1901 is Elisabeth opnieuw zwanger, van hun tweede kindje. De geboorte vindt plaats op woensdag 9 juli 1902; hun tweede zoon heet Levie, mogelijkerwijs naar de vader van Elisabeth: Levie Roselaar.

Fragment uit het adresboek Rotterdam 1902

Ook vertrekt het kleine gezinnetje Springer, samen met zijn ouders, naar een andere woning in de Zandstraat: op nummer 35. Op nummer 33 woont de 32-jarige Cornelis Schoonheim die we al eerder zijn tegengekomen, van het kosthuis (annex danssalon annex bierhuis!). Cornelis Schoonheim woont daar samen met zijn 34-jarige Joodse vrouw Esther Soetendorp. Eveneens op nummer 33 woont de 32-jarige Joodse Joseph Pijperman. Op nummer 35 woont ook de 31-jarige Joodse Emanuel Spetter (bootwerker), samen met zijn Joodse vrouw en zijn vijf kinderen. En daar woont ook de 35-jarige Rooms-Katholieke Johannes Hermanus Krukkert, van beroep wafelbakker, met zijn vijftien jaar jongere vrouw Trijntje van den Berg.

Fragment uit het adresboek Rotterdam 1903

Vanaf 1904 tot en met 1908 wordt Philip met zijn gezin niet meer vermeld in de adresboeken van Rotterdam. Toch moeten ze ergens in Rotterdam hebben gewoond omdat er volgens de burgerlijke stand van Rotterdam wel kinderen zijn geboren en aangegeven. Zo wordt op woensdag 6 juli 1904 de eerste dochter geboren. Zij krijgt de naam Schoontje, net als de moeder van Elisabeth. En in 1907, op vrijdag 8 november, wordt de tweede dochter geboren: Roosje.

En dan is er op donderdag 2 januari 1908 het overlijden van de vader van Philip, Isaäc Alexander Springer, op 73-jarige leeftijd. Natuurlijk een groot verlies voor de hele familie maar bovenal voor Philip en al zijn broers en zussen: na het overlijden van hun moeder, Roosje Ritmeester (67 jaar) op zondag 11 september 1904, zijn ze nu ook hun vader verloren.

Het gezin van Philip verhuist in 1908 naar de Raamstraat 63. Alleen wordt in het adresboek de naam fout geschreven: Sprenger in plaats van Springer.

Fragment uit het adresboek Rotterdam 1908

Het is bekend dat men het niet zo nauw neemt met het overnemen van gegevens in de adresboeken. Zo verhuist Philip in 1909 weer terug naar de Zandstraat (nummer 15), en wordt hij wel –correct!- Springer genoemd maar nu staan in het adresboek de voorletters weer fout geschreven: F in plaats van Ph.

Fragment uit het adresboek Rotterdam 1909

In de komende jaren verhuizen Philip en Elisabeth geregeld naar andere adressen in Rotterdam en krijgen ze nog meer kinderen: hun derde dochter, Esther, wordt geboren op zaterdag 9 oktober 1909. Esther is wellicht vernoemd naar de oudste zuster van Philip. Ze overlijdt al op maandag 30 januari 1911, een jaar en nog geen vier maanden oud. Dan is Elisabeth al weer zwanger van hun volgende zoon die geboren wordt op zaterdag 25 maart 1911. Hij wordt Abraham genoemd. Na Abraham worden er nog twee kinderen geboren: Leentje, op donderdag 23 maart 1916, en Barend op woensdag 18 september 1918. Deze Barend overlijdt op zondag 21 september 1919, drie dagen na zijn eerste verjaardag.

Op woensdag 16 november 1921 bestaat het gezin Springer uit Philip en Elisabeth (beiden 42), en de kinderen Isaäc (21), Levie (19), Schoontje (17), Roosje (14), Abraham (10) en Leentje (5). Op die dag trouwt de oudste, Isaäc, met zijn 20-jarige Roosje Lavino. Zij is geboren in Rotterdam als dochter van Meijer Lavino en zijn vrouw Teuna Stolk.

Op woensdag 30 januari 1924 trouwt de eerste dochter, de dan 19-jarige Schoontje, met de 22-jarige Heijman de Koning uit Rotterdam. Hij is de zoon van Marcus Koning en Betsy Stad.

Op woensdag 17 maart 1926 is de tweede zoon van Philip en Elisabeth aan de beurt: de dan 23-jarige Levie trouwt met zijn bruid Elisabeth D’Oiliveyra die 24 jaar is. Zij is geboren in Amsterdam als dochter van Salomon D’Oiliveyra en Jeanette Boesnach. Helaas slaagt dit huwelijk niet en zo scheiden zij op maandag 1 oktober 1928. Het duurt bijna tien jaar voordat Levie weer in het huwelijk treedt en wel met Sara Halberstadt, op woensdag 23 februari 1938.

Ook Roosje, de tweede dochter van Philip en Elisabeth, treedt in het huwelijk: op woensdag 28 maart 1928 trouwt zij met Barend Sanders, zoon van Benjamin Sanders en Sientje van de Ster. Roosje is 20 en Barend 22 jaar. Maar ook dit huwelijk strandt, in 1935; dan wordt in Rotterdam de echtscheiding uitgesproken. Uit dit huwelijk is op dinsdag 4 maart 1930 een dochter Elisabeth geboren.

Philip en Elisabeth Springer zijn inmiddels naar Amsterdam verhuisd. Zij laten zich, met Levie en Leentje, op zaterdag 11 augustus 1923 inschrijven in de Retiefstraat 19. Dat de 19-jarige Schoontje als aanstaande bruid niet meeverhuist is minder opmerkelijk dan het achterblijven in Rotterdam van Roosje (16) en de 12-jarige Abraham. Zelfs als er op de gezinskaart een ander jaartal dan 1923 gelezen moet worden, is er geen voor de hand liggende verklaring voor deze incomplete verhuizing of inschrijving. Waar Roosje en Abraham in Rotterdam verblijven is onduidelijk.

Gezinskaart Philip Springer Amsterdam

Philip is in Amsterdam marktkoopman: hij staat van maandag tot zaterdag met een kraam verse vis! Zijn kraam staat tot augustus 1935 in de Dapperstraat. Zijn kraamnummer was 293 en hij laat zich op maandag 22 juli 1935, op zijn verzoek, verplaatsen naar plek 291.

Marktvergunning PH Springer

Toch laat Philip zich in augustus 1935 weer uitschrijven in Amsterdam, om terug te keren naar Rotterdam: naar de Delftschestraat 19.

Gedempte Botersloot met het stadhuis Rotterdam

Ook de 20-jarige Abraham komt de liefde van zijn leven tegen. Hij en de even oude Sara Swaalep besluiten te trouwen. Het huwelijk vindt plaats in het Rotterdamse stadhuis aan de Gedempte Botersloot. Het is dan woensdag 7 oktober 1931, internationale crisistijd. Ook in Nederland zijn veel werklozen en heerst er grote armoede.

Sara is een dochter uit een gezin van acht kinderen, van Samuel Swaalep en Mietje Hamme. Na de huwelijksdag gaan Abraham en Sara Springer wonen in de Snoekstraat, op nummer 12 a. Hier wordt het eerste kindje geboren op zondag 4 september 1932: het jongetje wordt waarschijnlijk vernoemd naar zijn opa Philip. Sara is vrij snel daarna opnieuw zwanger. Het jonge gezin besluit om te verhuizen, mogelijk omdat er weer een kleintje op komst is en de oude woning te klein? Zes maanden zwanger verhuist ze in november 1933

2

Adrianastraat in Rotterdam

naar de Adrianastraat 29a. Hier wordt dus hun tweede zoon geboren, op vrijdag 9 februari 1934, Samuel.  Net als vader van Sara.

In die jaren wordt er in het algemeen veel verhuisd. Ook Abraham en Sara doen hieraan mee want alweer in oktober 1934, acht maanden na de geboorte van Samuel, vertrekken ze naar een woning aan de Buitenhofstraat 17a. Op dit adres krijgen ze op dinsdag 25 augustus 1936 hun derde kind, Elisabeth, mogelijkerwijs naar de moeder van Abraham. En ook hun vierde kind -ook een meisje- wordt hier geboren. Ze heet Mietje, net als de moeder van Sara. Op donderdag 16 februari 1939 zijn er vier kinderen en elk ervan draagt de naam van één van de vier grootouders.

Philip maakt de geboorte van deze twee kleindochters niet meer mee. Hij overlijdt plotseling, op 57-jarige leeftijd, op  donderdag 27 februari 1936. Het adres is dan de Schans 34 a, in Rotterdam.philip_springer_

Philip Springer

Philip Springer 3Philip Springer 1 Philip Springer 2

 

 

 

Philip Springer 5

Philip Springer 4 Philip Springer 6  Philip Springer 7

Uit de vele rouwadvertenties kunnen we met zekerheid vaststellen dat hij zeer geliefd was binnen de familie en bij zijn vrienden.

Twee jaar na het overlijden van Philip wordt de 60ste verjaardag van Elisabeth Roselaar gevierd (in tegenstelling tot de officiële schrijfwijze in de trouwakte wordt ze in de advertentie Roozelaar genoemd).

Elisabeth Roselaar

Isaac Springer

In 1940 breekt –zoals bekend- de oorlog uit; het gaat niet aan de familie Springer voorbij. Neem nu Isaäc Springer, de oudste zoon van Philip en Elisabeth. Isaäc verdient rond 1940 nog de kost als vishandelaar. Zoals verteld was hij in 1921 getrouwd met Roosje Lavino (1900). Ze kregen vijf kinderen: Elisabeth (1922), Teuna (1923), Philip (1926), Saartje (1927) en Netty (1929). Elisabeth is als oudste dochter in 1943 getrouwd en het huis uit, maar in april wonen alle andere kinderen nog thuis als het gezin van Isaäc Springer naar een plek nabij Assen wordt vervoerd.

Het is een drukte van jewelste in Kamp Westerbork: op  zaterdag 10 april 1943 komen 1286 mensen uit het westen van het land die dag het kamp binnen. Mannen, vrouwen en kinderen uit Den Haag, Amsterdam en Utrecht. Maar ook Isaäc Springer uit Rotterdam. Na aankomst worden Isaäc en zijn gezinsleden met de andere gearriveerden naar de registratie geleid. Hun persoonsgegevens worden door tientallen, voornamelijk vrouwelijke kampgevangenen op kaarten genoteerd. Hierna volgt in een kleine ruimte van barak 9, dat eveneens dienst doet als theater, kantine en café, de visitatie door leden van de Lippmann & Rosenthal bank (LiRo-bank).

Op vrijdag 8 augustus 1941 verscheen namelijk de verordening dat de Joodse bevolking van Nederland al hun contante geld en cheques, voor zover tezamen meer waard dan duizend gulden, op een rekening bij de Lippmann & Rosenthal bank moesten storten.

Het gebouw van de bank Lippmann Rosenthal in de Sarpahatistraat in Amsterdam Sarphatistraat

Hun effecten moesten zij in depot geven en al hun tegoeden en deposito’s bij andere banken, moesten naar de rekening bij de Liro-bank worden overgeschreven. Vanaf dinsdag 30 juni 1942 was het bedrag waar een Joodse man of vrouw per maand over mocht beschikken 250 gulden. De rest van het vermogen werd gestald bij de Liro-bank. Medewerkers van de Joodse Raad als Van den Bergh zouden gedurende de oorlogsjaren onder andere als administratief personeel van de Liro-bank in Westerbork worden ingezet.

Staff Lippmann bank in Westerbork

Staf Lippmann bank in woonbarak in Kamp Westerbork

De Liro in Westerbork fungeert als een laatste vangnet, voor de bezetter, niet voor de slachtoffers. Door de ‘toewijding’ van de medewerkers raken veel mensen hun allerlaatste bezittingen kwijt. Hierbij spelen zich vreselijke taferelen af: de gevangenen moeten vernederingen en bespottingen, maar ook fysiek geweld ondergaan, want de Liro wil alles hebben.

Citaat: “Onder het personeel van Lippmann en Rosenthal bevond zich ook een vrouw. Zij was er speciaal voor fouilleren van vrouwen – juffrouw Meyer. Het mannelijk personeel trad schandalig op, echter zoals deze vrouw optrad tart alle beschrijvingen. Zij zoog de vrouwen die onder haar kwamen, praktisch gezegd uit. Bij fouillering moesten zij zich volledig ontkleden. De kledingstukken doorzocht ze stuk voor stuk. Knipte het elastiek van de directoires in stukjes, zo groot dat van elkaar naaien geen sprake meer was, schouderbordjes van hemden en onderjurkjes werden kapot geknipt”. Zo schrijft een anoniem gebleven kampgevangene in een verslag kort na de bevrijding.

Of Isaäc Springer en zijn gezin met dergelijke handelingen te maken hebben gehad is niet zeker maar wel zeer waarschijnlijk. In het archief van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork bevindt zich de kwitantie die Isaäc in Westerbork van de medewerkers van de Liro ontving. Erop vermeld het bedrag van 19,25 gulden, waarschijnlijk het laatste contante geld dat hij destijds in zijn bezit had.

Isaac-Springer

Na het afgeven van zijn laatste bezittingen worden Isaäc Springer en zijn gezin naar hun woonverblijf gestuurd. Barak 57 is een zogeheten grote woonbarak, een gebouw van pakweg 80 bij 10 meter omvang, volgestouwd met stapelbedden, van driehoog. Her en der liggen nog wat schoolspullen op de vloer – barak 57 had in de eerste maanden van 1943 als schoolbarak gefungeerd.

barakken westerbork

De derde barak van rechts is barak 57

Op 10 april 1943 komen 255 Rotterdamse Joden in de overvolle barak terecht. Later wordt barak 57 een barak waar batterijen worden gedemonteerd. We weten dat Anne Frank en haar zuster Margot Betti Frank in deze barak batterijen hebben gedemonteerd.

Lijst Kamp Westerbork met de Familie Frank

De meeste van deze 255 Rotterdamse gevangenen worden al na enkele dagen doorgestuurd naar het vernietigingskamp Sobibor. Zo niet Isaäc en zijn familie. Bij binnenkomst verklaart Roosje namelijk dat haar moeder, Teuna Stolk, niet van Joodse afkomst is. Dit zou betekenen dat zowel Roosje als haar kinderen zogeheten ‘Mischlinge’ waren, kinderen uit een gemengd huwelijk. ‘Mischlinge’ worden over het algemeen door de nazi’s niet naar het Oosten gedeporteerd.

Roosje lavino Springer

Roosje’s verklaring betekent dat het gezin Springer – inclusief Isaäc – tot de zaak is uitgezocht, voorlopig van transport wordt vrijgesteld.

Na enkele weken volgt definitief uitsluitsel: Roosje’s verklaring wordt gegrond verklaard. Zij en haar kinderen worden niet langer als ‘volbloed Joden’ beschouwd. Ze moeten nog ruim negen maanden in Westerbork verblijven, maar worden uiteindelijk op zaterdag 29 januari 1944 uit het kamp vrijgelaten.

 

 

Inkijk in één van de barakken van Kamp Westerbork

Isaäc Springer blijft dan zonder zijn gezin in Kamp Westerbork achter. Op transport hoeft hij echter niet: hij was nu officieel getrouwd met een niet-Joodse vrouw en dus gemengd gehuwd geworden, wat een ‘Sperre‘ voor het Oosten inhield. In de loop der tijd verhuist Isaäc van barak naar barak, van grote zalen naar kleine woningen. Bij de bevrijding van Kamp Westerbork bevindt hij zich in barak 16; een paar weken later komt hij terecht in een huisje, in barak 42B, een klein “appartement” dat hij met andere voormalige gevangenen deelt. Het zou nog tot eind juni van het bevrijdingsjaar duren voor Isaäc kan terugkeren naar Roosje en de kinderen in Rotterdam.

Isaäc Springer is op woensdag 8 januari 1969 in Rotterdam overleden. Roosje Lavino overlijdt op 86-jarige leeftijd op zaterdag 2 januari 1988 in Rotterdam. Hoe het verder met hun kinderen is gegaan is niet bekend.

Het is een sombere gedachte: van de acht kinderen die Philip Springer en Elisabeth Roselaar op de wereld hebben gezet, zijn er twee al heel jong gestorven en heeft van de zes anderen alleen Isaäc de oorlogsjaren overleefd:

Levie Springer (41 jaar). Hij en zijn vrouw Sara Halberstadt (28 jaar) worden samen met hun dochter Elisabeth (3 jaar) vermoord op vrijdag 23 juli 1943 te Sobibor in Polen, nadat zij op dinsdag 20 juli 1943 uit kamp Westerbork op transport 73 zijn gezet.

Schoontje Springer. Zij, haar man Heijman de Koning en de kinderen verhuizen op donderdag 17 september 1936 naar Pijnacker en gaan wonen op het adres Emmadwarsstraat 40, de huidige Sophiastraat. Op dinsdag 8 maart 1938 vertrekken ze weer naar Rotterdam, naar de Lijnbaanstraat 21 B. Het gezin De Koning wordt, op het oudste kind na, op 27 februari 1943 kamp Westerbork binnengebracht, om binnen een maand, op dinsdag 17 maart 1943, met transport 54 naar Sobibor vervoerd te worden. Schoontje Springer (38 jaar), haar man Heijman de Koning (41 jaar) en hun twee kinderen, Philip (11 jaar) en Simon Mozes (5 jaar), worden op 20 maart 1943 vermoord in Sobibor. Hun oudste zoon Marcus de Koning (18 jaar) arriveert op 1 juli 1943 in kamp Westerbork. Enkele dagen later, op 6 juli, is hij als strafgeval naar Sobibor gedeporteerd.

Roosje Springer (36 jaar), hun tweede dochter, wordt vermoord op maandag 31 januari 1944 in Auschwitz. Haar dochter Elisabeth Sanders (13 jaar) is daar al op vrijdag 10 september 1943 vermoord. Na de scheiding van Roosje en Barend Sanders in 1935 zorgen eerst de grootouders voor haar dochters maar in februari 1937 komen Elisabeth en Sientje terecht bij de zusters Aaltje, Rika en Marianne Norden in Zwolle. Elisabeth staat in het schooljaar 1941/1942 ingeschreven in klas 5 van de Joodse Lagere School te Zwolle. Zij en haar zus Sientje èn de gezusters Norden moeten zich in november 1942 melden in de Wijnbeekschool en worden weggevoerd. Op 18 november 1942 arriveren de zussen Norden en hun pleegkind Elisabeth in kamp Westerbork, waar Elisabeth in het weeshuis wordt ondergebracht. Op dinsdag 7 september 1943 vertrekt zij met transport 75 naar Auschwitz. Ook de drie zussen Norden komen om het leven. Sientje Sanders gaat eerst naar kamp Vught en gaat dan naar kamp Westerbork en Auschwitz. Zij overleeft de verschrikkingen en overlijdt op woensdag 9 november 1983, 56 jaar oud, te Rotterdam.

tiff363_Transportlijst_18-19_november_1942

Transportlijst voor kamp Westerbork 18-19 november 1942

In hun eenvoudige valies paste precies 
wat zij mochten meenemen van hun schamele bezit.
De rest zou, zeiden ze, worden nagestuurd.
De deur sloeg zacht achter hun ruggen dicht;
De buurt keek hen onnozel na.
Er volgde een eindeloze enkele reis van hot naar 
haar, dachten ze zelf, maar voor elke wagon
lag het eindstation vast, administratief bepaald.
Zij waren geen mensen meer, misschien nog 
ruggen, maar zeker nummers met ten slotte
een datum van overlijden.

Met deze woorden van stadsdichter Jan van den Boom uit Oss onthulde het echtpaar Raaijmakers, huidige bewoners van de Hagelstraat 15A, Stolpersteine voor de zussen Aaltje, Rika en Marianne Norden en hun pleegkind Elisabeth Sanders. 

dsc09658.jpg(mediaclass-warvictim-carousel.67d08ede1706aa86ac21a1f8fb99afb12f769340)

Stolpersteine voor Elisabeth Sanders en de gezusters Norden in de Hagelstraat 15a te Zwolle

De derde dochter van Philip en Elisabeth, Leentje Gans-Springer (26 jaar), en haar man Andriess (29 jaar) komen ook om in Auschwitz. Leentje en haar twee kinderen, Judith (5 jaar) en Elisabeth (1 jaar) worden vermoord op donderdag 23 juli 1942. Andriess wordt twee maanden later vermoord, op woensdag 30 september 1942. Het gezin Gans is op dinsdag 21 juli 1942 met transport 3 van kamp Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd.

En dan is er nog Abraham, “koopman in ongeregeld goed” volgens de archieven. Hij, zijn Sara en hun kinderen wonen tot 8 januari 1940 aan de Buitenhofstraat 17 a. Ze verhuizen dan naar de Lijnbaanstraat 21 b (het huis van Schoontje Springer en Heijman de Koning) en wonen daar tot in mei 1940 de bommen vallen van het bombardement op Rotterdam. Want het huis aan de Lijnbaanstraat 21b wordt getroffen! Gelukkig zijn er geen slachtoffers in het gezin Springer. Ze kunnen ook al snel een woning betrekken aan de Boerhaavelaan 103 in Schiedam. Het gezin verblijft hier tot 30 oktober 1940 om dan naar het adres Van Swindenstraat 55 b te verhuizen. Natuurlijk wordt het leven van het Joods gezinnetje Springer geraakt door de vele maatregelen van de bezetter jegens de Joden. En dan komt er uiteindelijk het bericht dat ook zij naar Westerbork zullen worden gedeporteerd. Daar, in Kamp Westerbork krijgen ze het signaal dat ze op 17 augustus 1942 op transport worden gesteld.

Het zou het 11e transport zijn, uit Westerbork naar Auschwitz. In de trein met twaalf wagons zitten 506 gedeporteerden opeengepakt. Er zijn 94 kinderen bij.

Joodse burgers op transport naar Auschwitz vanuit Kamp Westerbork

Uit de Auschwitz Chronicle over dinsdag 18 augustus 1942: “Een RSHA transport die drie dagen en drie nachten duurde met aan boord 506 Joden komt uit Westerbork in Holland aan. Er bevinden zich 364 mannen en jongens in het transport en 142 vrouwen en meisjes. Na de selectie worden 319 mannen en 40 vrouwen toegelaten in het kamp. De andere 147 gedeporteerden worden woensdag 19 augustus vermoord in de gaskamers.”

 

auschwitz

Waarschijnlijk is Abraham Springer fit genoeg bevonden om tot het kamp te worden toegelaten, om voor de Duitsers te moeten werken. Lang heeft hij dit niet gedaan want ook hij overlijdt in Auschwitz, op woensdag 30 september 1942. Dat is 33 dagen nadat zijn vrouw Sara en hun vier kinderen Philip, Samuel, Elisabeth en Mietje al waren vermoord, op woensdag 19 augustus 1942, direct na binnenkomst.

Op woensdag 8 februari 2017 werd in Schiedam een herdenkingsdienst gehouden voor de slachtoffers van het Nazi Regime waaronder Abraham Springer en zijn gezin. Na de herdenkingsdienst werden in de Van Swindenstraat, ter hoogte van nummer 55, de Stolpersteine voor het gezin Springer geplaatst.

Stolperstein Stenen Abraham Springer en gezin in Schiedam

Bronnen: diverse krantenarchieven van de site Delpher,  C.B.G en beeldbanken, gemeentelijke en rijksarchieven, de website “Joods Monument” en “In Memoriam, De gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma en Sinti kinderen 1942-1945”, geschreven door Guus Luijters, site van de Zwolse Stolpersteine Stichting.

Er is tevens uitgebreid gebruik gemaakt van een portret uit de reeks bevrijdingsportretten van Herinneringscentrum Kamp Westerbork, vooral over de Lirobank en juffrouw Meyer.

De beschrijving van het leven in de Zandstraatbuurt is ontleend aan twee boeken:

a. “De Zandstraatbuurt en zijn Joodse inwoners”, geschreven door Hans Schippers, Rob Snijders, Chris Buitendijk en Albert Ringer,

b. “De ondergang van de Zandstraatbuurt, Het kwartier voor 1940”, geschreven door Herman Romer.